Het dagpatroon
Przewalski paarden zijn veel op trek door hun leefgebied. De grootte van de home ranges variëren van 300 tot 3200 ha. De vrijgezellen hengsten zwerven het meest en kunnen op een dag meer dan 22 km afleggen. De grootte van het gebied waar de harems dagelijks doorheen trekken varieert per seizoen en is in de winter het kleinst. De harems zorgen dat ze zoveel mogelijk uit het zicht van elkaar blijven om onverwachte ontmoetingen en gevechten te vermijden. Alleen in de winter neemt die onderlinge afstand af. In die periode worden ook veel edelherten en Mongoolse gazellen in de buurt van de Przewalski paarden gezien. Waarschijnlijk zoeken de dieren steun bij elkaar tegen de aanvallen van wolven.
In de zomer trekken ze dagelijks naar verschillende vegetatietypen waar ze graag grazen en zoeken geliefde waterstroompjes om te drinken. Ze rusten graag langs bergkammen, tegen hooggelegen rotspartijen of in het bos op zoek naar plaatsen waar ze wind kunnen vangen, verkoeling vinden en stekende insecten kunnen ontlopen. In de zomer besteden ze ongeveer de helft van de tijd aan grazen. Ze doen dat het liefst in de vroege morgen en in de avond als het koeler wordt. Ze rusten als het heet is en midden in de nacht. 's Nachts zijn ze kwetsbaar. Dan is er altijd een haremlid dat de wacht houdt om direct alarm te kunnen slaan als er onraad is. Als het koeler wordt blijven de groepen langer in de valleien waar de meeste waterstroompjes zijn en is er minder behoefte om hoog de bergen in de trekken. In het voorjaar, in de winter en de herfst besteden ze veel meer tijd aan het zoeken naar geschikt voedsel. De voedsel kwaliteit is in die periodes afgenomen en ze moeten meer en vezelrijker voedsel eten om in conditie te blijven. Het leven wordt riskanter als er sneeuw ligt. In de kloven is de sneeuw diep en moeten de paarden oppassen voor ongelukken. Het kan gebeuren dat een hoef beklemd raakt tussen rotsen. Gelukkig is de sneeuw droog en wordt deze weggeblazen door de vaak hevige wind zodat de Przewalski paarden altijd voldoende gras vinden.
Mongolië is berucht om zijn lange winters, die in oktober beginnen en eindigen in mei. De Przewalski paarden moeten een goede conditie hebben als de winter begint. Onderzoek heeft uitgewezen dat de vrijlevende Przewalski paarden de beste conditie hebben in oktober en de eerste terugval laten zien in december. In mei is de conditie het slechts. Drachtige merries hebben het zwaarder te verduren dan merries zonder veulen. In het eerste jaar na aankomst is de conditie veel slechter dan in het tweede jaar na aankomst. In het eerste jaar na de definitieve vrijlating is de conditie weer wat minder, maar wordt weer beter in de jaren daarna. De aanpassing aan het klimaat en het andere leven in het wild vraagt veel aanpassing.
|