![]() |
|
![]() |
|
Genetische risico'sBij kleine populaties is het risico dat de genetische variatie afneemt hoger dan bij grote populaties dieren. Inteelt en genetic drift komen eerder voor en kunnen een aanslag plegen op de overlevingskracht van de soort en op het vermogen zich aan te passen aan wisselende leefomstandigheden. Als een bevolking groot is hoeven extreme weersomstandigheden geen bedreiging te vormen voor hun voortbestaan. In strenge winters, bijvoorbeeld, zullen Przewalski-paarden met een gezonde dichte vacht, en een goede conditie eerder overleven, dan die met een slechte wintervacht, en een matige conditie. De sterksten overleven en de takhi met slechte wintervachten sterven. Na enkele generaties zullen er hopelijk veel takhi met een aanleg voor dichte wintervachten overblijven.
We weten uit studies van Jan Bouman en Hil Bos (1977 en 1978) dat de vruchtbaarheid van individuele Przewalski-paarden kan verminderen door inteelt. Bepaalde erfelijke gebreken krijgen door inteelt eveneens de kans zich te openbaren, zoals onderontwikkelde eierstokken bij merries. Om de genetische risico's zo klein mogelijk te houden heeft de Stichting bij het fokken van Przewalski-paarden in de semi-reservaten geprobeerd de verschillende fokgroepen zodanig samen te stellen dat de genetische variatie van de nakomelingen zo groot mogelijk is en de inteelt laag. De Przewalski-paarden die de Stichting voor herintroductie in Hustai Nationaal Park selecteerde hebben een brede genetische basis (Inge Bouman, 1998). Eenmaal in het wild uitgezet, regelen ze hun zaakjes zelf. Dat betekent ook dat ze hun eigen partner kiezen. Geleidelijk neemt het aantal vrijlevende harems toe. In de afgelopen twee jaar hebben een aantal in het wild geboren hengsten de harems van geïmporteerde hengsten overgenomen. Er zijn nog maar drie haremhengsten over die in gevangenschap geboren zijn. Tien haremhengsten zijn in het wild geboren. Patron uit Askania Nova is een paar merries kwijt geraakt, maar is nog steeds haremhengst. Opvallend is, dat zes van de dertien vrijlevende harems geleid worden door Patron en zijn drie zonen en vier harems door zonen van de hengst Khaan. De harems van Patron en Khaan zijn in 1994 als eerste vrijgelaten en kregen de eerste veulens. Je zou kunnen zeggen, dat de genetische invloed van Patron en Khaan op dit moment overmatig groot is. Het gevaar van genetic drift en stichterseffect is nu nog niet zorgelijk omdat verreweg het overgrote gedeelte van de merries niet verwant is aan de in het wild geboren Przewalski hengsten. Eerdaags zullen ook meerdere jonge hengsten van andere vaders dan Patron en Khaan geslachtsrijp zijn en zullen ook zij een poging wagen om merries te veroveren. In de opbouwfase van de populatie blijft onderzoek naar het stichterseffect zeker nodig. Een goed voorbeeld van stichterseffect is te vinden bij de vossenpopulatie in het Noordhollands duinreservaat, waar een flink deel van de vossen een opvallend korte onderkaak bezit. Vossen kwamen vroeger niet in het westen van Nederland voor, maar vanaf 1968 worden er regelmatig vossen in de duinstreek gezien. Het gaat hier zeer waarschijnlijk om dieren die zijn uitgezet. Men vermoedt dat bij Heemskerk vier vossen uit één worp zijn losgelaten, waaruit de gehele vossenpopulatie ten noorden van het Noordzeekanaal is ontstaan. Er is dus sprake van een hoge graad van inteelt, waardoor de eigenschap van een korte onderkaak tot uiting kon komen (Mulder 1990). |
||||||||||||||