Certificeren van Bosbeheer en Bosprodukten

Paul Romeijn, 18 april 1996

Introductie en terminologie (een inleiding met een knipoog)
Certificeren van bosbeheer en bosprodukten
Waar staan wij nu?
En toen was er NOVA
Hoe nu verder?
Enige referenties

Introductie en terminologie
(een inleiding met een knipoog)

Wederkerigheid, gelijkwaardigheid en duurzame ontwikkeling zijn inmiddels ingeburgerde sleutelbegrippen in het ontwikkelingsjargon. Nieuwer zijn de moeizaam gedefinieerde termen 'ontschotting' en 'milieugebruiksruimte'. Inmiddels worden wij vanuit Den Haag zelfs al verwend met afkortingen zoals 'MILIEV', en het zal u verheugen als ik u meedeel dat er binnen dit programma vandaag de dag al een stukje 'MILIEuVerzelfstandigingsbeleid' voor ontwikkelingslanden wordt 'ingevuld'.

Toen ik er nog geen idee van had wat de term 'milieugebruiksruimte' betekende was mij al wel bekend geworden dat ook milieugebruiksruimte kon worden 'ingevuld'. Ik ging te rade bij mijn toenmalige buurman die met de materie bekend is, hij werkt immers bij het Ministerie van VROM. Milieugebruiksruimte, zo kon hij mij vertellen, is de discrepantie tussen milieu-belasting en milieu-capaciteit. "Buurman, wordt dit dan voor iedere stof bepaald, en voor verschillende media zoals water, bodem en lucht?" Antwoord: "Nee, en daar zijn ze dus juist mee aan het stoeien op het Ministerie. Het is daarom maar zeer de vraag of er zinvolle parameters uitkomen. Zeker is wel dat de milieugebruiksruimte nu voor heel Nederland in kaart gebracht wordt."

Over een nadere invulling van zich duurzaam ontwikkelende milieugebruiksruimtes in gelijkwaardige wederkerigheid informeert het DGIS maandblad 'Internationale Samenwerking' (No. 3.93) ons dat Nederland een milieu- en ontwikkelings-verdrag heeft getekend met 3 landen, waaronder Costa Rica. De gedachte hierachter is dat wij in Nederland weinig milieu en veel ontwikkeling hebben, en dat deze situatie in de drie partner-landen precies omgekeerd is. Ik neem aan dat Nederland daarom deze landen zal helpen hun milieu te verzelfstandigen, en met beleid. Volgens het DGIS kunnen wij in wederkerigheid de landen aanspreken op (milieuvriendelijke) ontwikkeling en zij kunnen ons aanspreken op de uitvoering van Nederlandse milieuplannen. Volgens de in het artikel geciteerde ambtenaren uit Den Haag zullen wij nog een harde dobber krijgen om ons "aan de aan Nederland gestelde eisen te houden".

Voor de 'invulling' van het onderhavige beleid zijn sectorspecialisten milieu onontbeerlijk. Dergelijke specialisten zijn ervaren technici die gedetacheerd worden bij Nederlandse ambassades in verre ontwikkelingslanden. De vacaturegids van het DGIS leert ons binnen welk beleidskader een sectorspecialist milieu in Costa Rica opereert: "De algemene conceptuele aanpak met betrekking tot de vraagstukken van duurzame ontwikkeling geldt onveranderlijk voor deze drie vormen van kanalisering en ook voor de verschillende sub-aandachtsgebieden waarbinnen activiteiten kunnen worden ontplooid (positie nr. 93/020/COS; Vacatureblad Internationale Samenwerking, 25 maart 1993, No. 6)." En ik kan u mededelen dat deze vacature is vervuld, echt waar.

In het kader van mondialisering en de profilering van Nederland als gidsland, vertaalt het DGIS de beleidsstukken ook wel eens in het Engels (A World of Dispute, December 1993). De termen 'ontschotting' en 'milieugebruiksruimte' zien er dan als volgt uit: 'decompartmentalisation of policy' en 'environmental space'. De gelaatsuitdrukking van Engelse vakgenoten die ik heb gevraagd naar de betekenis van deze termen laat zich slechts omschrijven met het woord 'bewildered'.

Laten wij nu eens nader bekijken hoe Nederland door ondersteuning van certificeringsinitiatieven meewerkt aan het invullen van de milieugebruiksruimte van bos in het algemeen en van tropisch bos in het bijzonder.

Certificeren van bosbeheer en bosprodukten

De Tweede Kamer keurde in 1991 het Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud goed (RTR, 1991). Binnen de doelstellingen van dit zogeheten RTR neemt de internationale coördinatie om te komen tot een systeem van keurmerken een vooraanstaande plaats in. De huidige certificeringsinitiatieven van bosbeheer en bosprodukten komen voor een groot deel voort uit de veronderstelde behoefte aan duurzaam bosbeheer. De huidige belangstelling voor duurzaam bosbeheer vindt zijn oorsprong in een in den brede gevoelde behoefte aan zogeheten 'global resource management' (Clark en Munn, 1987). Het begrip duurzaam bosbeheer stamt op zijn beurt uit Duitsland, waar deze term al in 1713 gebruikt werd door Hans Carl von Carlowitz in zijn Sylvicultura Oeconomica.

In de loop der eeuwen is dit begrip 'duurzaamheid' in de bosbouw betrokken op zeer verschillende zaken, en daarmee is de betekenis ervan even zovele malen verschoven. Voorbeelden hiervan zijn de duurzaamheid van geproduceerd houtvolume, produktiefactoren, economisch rendement, leeftijdsopbouw van de staande bomen en de graad van bodembedekking (Oldeman, 1994; Romeijn, 1995). Daaruit valt af te leiden dat voor het beheer van het bos het duurzaamheidsbegrip geen werkbare maatstaf biedt zolang niet precies is aangegeven waarop de duurzaamheid betrekking heeft (Romeijn, 1995). Vooralsnog heeft de huidige internationale discussie over certificering van duurzaam beheerd bos hierop nog geen vakinhoudelijk en vooral voor bosbeheerders werkbaar antwoord opgeleverd (Palmer, 1996; Romeijn, 1995).

Een ander aspect van het certificeren betreft de kosten. Er bestaan binnen en buiten Nederland aanwijzingen dat de consument inderdaad bereid is een meerprijs te betalen voor verantwoord geproduceerd hout (Greenpeace, ongedateerd; ISF, 1995; Mater, 1995; WNF, 1995). In dit verband wordt wel gedacht aan een mogelijke meerprijs van 3 tot 5 % voor houtprodukten. Begrijpelijkerwijs -althans voor mensen die weten welke bedragen hiermee gemoeid zijn (voor ramingen van het WNF, zie bijvoorbeeld Ozinga, 1995)- is er wereldwijd een wildgroei aan het ontstaan van certificeringsinstellingen en keurmerken (Intermediair, 1 maart 1996), zeker nu binnen de Internationale Tropische Hout Overeenkomst (ITTO) het gerucht wordt verluid dat vanaf het jaar 2000 alle bosbeheer ter wereld duurzaam moet zijn. Eerst ijverde Nederland jarenlang voor een dergelijke bepaling die alleen tropisch hout zou omvatten, maar zij werd teruggefloten en wel voornamelijk omdat dit streven in strijd zou zijn met de eveneens door Nederland gesteunde vrijhandelsbepalingen in het kader van de GATT (zie ook Kolk, 1995).

Er schuilen gevaren in het niet goed onderbouwd invoeren van certificering van houtprodukten en bosbeheer. Op het gevaar af te kort door de bocht te gaan bij het aansnijden van deze complexe thematiek, noem ik hier ter illustratie toch de volgende drie mogelijke risico's:

  1. een kleine extra kostenpost in de samenstelling van de houtprijs die slechts word gebruikt om de corruptie rond de af te geven keurmerken te financieren;
  2. een situatie waarbij handel en exploitatie doorgaan zoals gebruikelijk;
  3. een tevreden Nederlandse overheid die 'een duidelijk milieu-geluid' naar haar burgers heeft laten horen zodat die weer het 'gevoel' hebben dat er wat is gebeurd.

Genoemde risico's zijn helaas niet illusoir. Er zijn in de tropen zeer weinig producerende landen aan te wijzen die voldoende georganiseerde mechanismen bezitten om zelfs maar bij benadering de stumpage fee te innen; het betreft hier een eenvoudige belasting in de vorm van een vast bedrag per getransporteerde boomstam. Bovendien zijn er in de tropen slechts marginale voorbeelden bekend die aanspraak kunnen maken op iets dat kan worden aangemerkt als werkelijk duurzame houtproduktie (Poore, 1989), en bovenal is er binnen en buiten de tropen onvoldoende kader opgeleid (in aantal en kwaliteit) om dit te doen (Gregersen et al, 1990; IUCN, 1992; Romeijn, 1993). Onder dergelijke randvoorwaarden is toename van corruptie inderdaad niet denkbeeldig; in de derde wereld bij het verlenen van het keurmerk, bij douane-diensten in de EU, en mondiaal bij het vervalsen van vrachtbrieven. Wie is er immers in staat om hout uit bijvoorbeeld Cameroun, dat in Liberia van nieuwe vrachtbrieven en een keurmerk wordt voorzien, en dat via de haven van Genua ingevolge EU-bepalingen vrijelijk naar ons land getransporteerd wordt, effectief te determineren en te controleren? Niemand.

Waar staan wij nu?

Herijking van buitenlands beleid noopt het DGIS om samenwerkingsvormen met het bedrijfsleven strakker aan te halen. Inmiddels dringt de tijd, want Nederland heeft als gidsland hoog ingezet met het Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud, en ook nog met de straffe stellingname tegen belangrijke houtproducerende landen tijdens verschillende internationale fora (zie ook Kolk; 1995). Het moment was gekomen om de goede voornemens om te zetten in daadwerkelijke successen. Twee oplossingen leken zich aan te dienen, de FSC en de particuliere beleggingen van Nederlanders in de Teakfondsen.

Om de eerdergenoemde wildgroei van keurmerken voor de consument overzichtelijker te maken, is in 1993 de Forest Stewardship Council (FSC) opgericht die op 25 oktober 1995 haar rechtspersoonlijkheid verwierf, met belangrijke ondersteuning van het DGIS en het Wereld Natuur Fonds. De FSC heeft als belangrijkste doelstelling om door middel van het goedkeuren (accrediteren) van betrouwbare certificerings-instellingen wereldwijd te werken aan verbeterd bosbeheer. Houtprodukten, die onder de door de FSC overeengekomen randvoorwaarden zijn geproduceerd, zullen een FSC keurmerk kunnen ontvangen, waar ook ter wereld (FSC, February 21, 1996; RTL-4 Nieuws, 22 februari 1996).

In 1993 kwam ook de doorbraak voor de particuliere investeringen in de tropische bosbouw; toen verbond het Wereld Natuur Fonds haar naam aan het Teakwood initiatief van de Costa Ricaanse firma Flor y Fauna en begon OHRA Verzekeringen met de verkoop van de Teakwood Rendementpolissen (OHRA, 1993). Net als met de keurmerken, kennen wij momenteel een bonte verzameling aanbieders van investeringsmogelijkheden met een divers karakter die twee zaken gemeen hebben: zij opereren in de marge van de Wet Toezicht Beleggingsinstellingen (woordvoerster Klompé van De Nederlandsche Bank in NOVA, 23 november 1995) en zij spiegelen hoge rendementen voor (Consumenten-Geldgids, Januari 1996; FEM, 1995; OneWorld Online, 1996). Bij gebrek aan accountantsrapporten blijft het moeilijk de totale inleg te schatten, maar het is al gebleken dat de investeringssom een half miljard overschreden heeft (FEM, 1995).

Nu zagen het DGIS en het Ministerie van Landbouw hun kans om daden bij hun woorden te voegen. Het Wereld Natuur Fonds stond immers borg voor de milieuvriendelijkheid van het Teakwood programma (WNF Directeur Woldhek in NOVA, 23 november 1995) en er kwam ook nog een certificaat van het Amerikaanse Rainforest Alliance voor de plantage (Bos Info, 1995). De plannen om de basis van het Teakwood programma uit te breiden naar andere landen kon mogelijk ondersteund worden door de medefinancieringsprogramma's; en deze plannen waren reeds vergevorderd, als we afgaan op het interview met de directeur van Flor y Fauna in Het Financieele Dagblad van 9 april 1996.

In 1993 dreigde de zaak even mis te lopen, toen het WNF rapport over de economische analyse van het Teakwood programma niet liep zoals gewenst. De wereldvermaarde Venezolaanse Professor Julio Cesar Centeno schuwde zelfs niet de woorden "mogelijke fraude" aan het project vast te kleven (Centeno, 1993). Het rapport bleef vertrouwelijk, en specialisten van de beide Ministeries waren aanwezig om toe te kijken hoe een Nederlandse deurwaarder uitkomst moest brengen om de kritiek te weerleggen (LNV, 1993; in bijlage 1). De deurwaarder kwam, mat en overwon. Hij constateerde dat de bomen goed gesnoeid waren en dat de plantage wat hem betreft een goed verzorgde indruk wekte. Een rapport van het Ministerie van Landbouw werd zorgvuldig om het deurwaardersrapport heen geconstrueerd, zodat de metingen niet getoond werden (Oldeman, 1996; punt 5) en zo kon het Ministerie in het rapport de conclusie trekken dat de groeiprojekties niet onmogelijk waren (LNV, 1993). Nu is er niets onmogelijk zoals u zult weten, en de rust was weergekeerd.

En toen was er NOVA

Eind November 1995 schonk het televisieprogramma NOVA uitgebreid aandacht aan de Teakwood Rendementpolis. De journalisten waren in het bezit gekomen van het rapport van Professor Centeno, en die hebben ze in de uitzending aan het woord gelaten. Zijn kritiek, die hij vanwege de vertrouwelijkheid van het rapport tot dan toe niet publiekelijk had kunnen uiten, bleek hij nog steeds overeind te houden. Ook De Nederlandsche Bank raadde in de uitzending het publiek af om te investeren in dergelijke programma's, namelijk door te laten weten dat de belegger het gebrek aan verstrekte informatie als een teken aan de wand moest beschouwen.

Hiermee barstte de bom (WUB, 14 maart 1996) en er kwam een stroom van publikaties op gang (zie bijlage) die nog immer niet is verstomd. Er kwamen kamervragen, en er kwamen antwoorden op kamervragen; en er kwamen nogmaals kamervragen, en er kwamen nogmaals antwoorden op kamervragen. En er komen nu nog meer kamervragen, naar ik eergisteren heb begrepen uit het programma AVRO's Televizier Magazine (uitzending 16 april 1996). De Consumentenbond kwam in het gezaghebbende blad Consumenten-Geldzaken van afgelopen januari tot een vernietigend oordeel over alle teakfondsen (Consumentenbond, 1996). En er kwam een discussie op het Internet, voornamelijk gevoerd in de vorm van berichtensecties gerelateerd aan bosbouw en aan de Verenigde Naties (zie de noot onder de referentie Internet Forest), die onder andere resulteerde in de ontvangst van meer dan 3000 brieven van verontrustte vakgenoten; een nog nooit eerder vertoond verschijnsel in de anders zo rustige internationale bosbouwwereld.

Hebben de partijen hierop gereageerd? Ja, wel degelijk. Het DGIS en het Ministerie van Landbouw luistervinkten mee op het Internet en hulden zich vooral in een diep stilzwijgen, bijvoorbeeld op het Internet; maar ook over het veelvuldig gebruik van het rapport van LNV als legitimatie van het Teakwood programma zoals bij verschillende rechtbanken. Dit terwijl het hetzelfde rapport duidelijk op pagina 2 stelt dat de conclusies voor eigen gebruik van LNV zijn. Verder bleek pas uit de beantwoording van kamervragen in april 1996 dat het DGIS een voorgenomen studiedag aflaste. Die studiedag, waarvoor het DGIS de opdracht al had uitbesteed aan de Stichting BOS, was ondermeer bedoeld om te peilen hoe het medefinancieren van teakhout projecten zou vallen. Flor y Fauna sleepte ogenblikkelijk één van de door NOVA geïnterviewden voor de rechter vanwege vermeende laster (De Telegraaf, 28 december 1995) en eiste schadevergoeding, maar leed een smadelijk verlies bij de Haagse rechter Van Delden (GPD, 1995). De critici van het Teakwood programma werden afwisselend afgeschilderd als conservatievelingen, handlangers van de houthandel (Alerta, 1996), mensen die geen verstand van bosbouw hadden, vuilspuiters (Het Financieele Dagblad, 22 februari 1996), en recent nog als sjoemelaars met hun eigen rapporten (WNF, 20 maart 1996). Verder werden er links en rechts nog enkele instanties en personen (zie bijvoorbeeld De Telegraaf, dinsdag 13 februari 1996), waaronder Professor Centeno (zie bijvoorbeeld Het Financiele Dagblad, 7 februari 1996), bedreigd met juridische stappen die meer dan eens vergezeld werden door beroep op schadevergoeding voor de vermeende omzetverliezen.

Toch ging het mis. De uiteindelijke uitkomst van deze geschiedenis is nog verre van duidelijk, maar het staat inmiddels wel vast dat de Nederlandse beleggers zich hebben uitgesproken over Teakwood, want zij investeren nauwelijks meer in het programma. Maar er ging meer mis. Het deurwaardersrapport werd definitief onderuitgehaald (WUB, 14 maart 1996) en wordt bij mijn weten momenteel door niemand meer serieus genomen. En er zal nog meer mis gaan. De auteur van het eerder genoemde rapport van het Ministerie van Landbouw is gebleken één en dezelfde persoon te zijn als de voorzitter van de wetenschappelijke adviesraad van Flor y Fauna (zie bijvoorbeeld WUB, 28 maart 1996), en deze partijdeskundigheid is bij zijn verklaringen aan verschillende rechtbanken onvermeld gebleven. En er zal nog méér misgaan. Onderzoek van WNF zou hebben aangetoond dat er nooit aanspraak is gemaakt op een keurmerk van de eerder genoemde FSC (WNF, 31 januari 1996). Toch is dat gebeurd, en wel meer dan anderhalf miljoen maal in advertenties en dergelijke (OHRA, 1996), en ook nog meer dan eens in een boekwerk van nota bene het WNF zelf (WNF, 1995). Dit terwijl de FSC tot op de dag van vandaag nog niet zover gevorderd is dat haar accreditatie verbonden kan en mag worden aan welke bosbouw plantage dan ook, waar ook ter wereld, en dit met nadruk en publiek verklaard heeft (bijvoorbeeld FSC, March 11, 1996; FSC, April 1996). De geloofwaardigheid van de instelling WNF kan hiermee niet gediend zijn.

Voor de beste samenvatting die mij bekend is over welke belangen er alleen al geschaad zijn tengevolge van het deurwaardersrapport uit 1993, citeer ik Prof. Dr. Ir. R.A.A. Oldeman, hoogleraar Bosteelt en Bosoecologie: "Als slotsom signaleer ik de grote schade die door de OHRA/Flor y Fauna teak-affaire is toegebracht aan de nationale en internationale reputatie van de Nederlandse bosbouw en natuurbescherming, aan de geloofwaardigheid van de Nederlandse overheid als beleids-, certificaat- en projectmaker, en aan de beleggers die via de media tot de teakpolis verlokt zijn. De ergste schade is echter op termijn en zal de tropische bossen treffen, waarvan de instandhouding hierdoor een stuk minder serieus genomen zal worden (Oldeman, 1996)."

Bosbouwkundig gezien heeft de hele OHRA discussie zich grotendeels afgespeeld over vraagstukken van een middelbaar technisch karakter en niveau: groeien de bomen of groeien ze niet, en is het voorgespiegelde groeitempo misleidend voor de belegger. Dat er binnen Nederland hierover zoveel discussie heeft kunnen ontstaan, is voor het buitenland onbegrijpelijk, zeker in het licht van alle fratsen die mee blijken te spelen bij de beantwoording van deze in de kern zo eenvoudige vragen. Alleen al hiermee diskwalificeert Nederland zich ten overstaan van de internationale arena in ras tempo voor de zelf bemeten rol als gidsland voor de veel complexer materie van 'global resource management'.

Hoe nu verder?

De tijd voor herbezinning lijkt nabij. Op het moment dat de Nederlandse vakwereld geconfronteerd werd met concrete vraagstukken die op publieke wijze moesten worden beantwoord omdat gelden van particuliere beleggers in het geding waren, ging het mis. De Ministeries die betrokken zijn bij het formuleren en uitvoeren van het Nederlandse beleid inzake tropische bosbouw, hadden zich begeven op een terrein waarbij niet alleen de bestedingen van hun eigen gelden in het geding zijn, en zij waren mogelijk niet voorbereid op de spelers en de spelregels die behoren bij het beleggen; te weten De Nederlandsche Bank (bijvoorbeeld NOVA, 23 november 1996), consumentenorganisaties (bijvoorbeeld Consumentenbond, 1996), publikaties uit de financiële wereld (bijvoorbeeld Beleggers Belangen, februari 1996), en de Wet Toezicht Beleggingsinstellingen. En zij waren niet voorbereid op een Professor die vanuit het Zuiden effectief van het medium Internet gebruik wist te maken en daardoor plotsklaps niet meer genegeerd kon worden.

In een tijd waarin de Nederlandse invulling van het begrip participatie zich grotendeels afspeelt op het niveau van ontwikkelingsprojecten en waarin met financiële middelen van het DGIS Walt Disney's Pocahontas video's aan Andes-indianen vertoond worden (Ir. M. Vervoort, persoonlijke mededeling, januari 1996), blijkt het noodzakelijk dat nota bene een Venezolaanse Professor onze vakgenoten op hun beroepsethiek aanspreekt (WUB, 14 maart 1996). De eerder genoemde Professor Oldeman initieert momenteel een groot opleidings- en onderzoeksproject dat geheel gefinancierd wordt vanuit het Zuiden zonder dat daar ook maar één cent van het DGIS aan te pas gekomen is, zo meldt ons een trotse Rector Magnificus van de Landbouw Universiteit te Wageningen (Karssen, 1996). Intussen komen vakinhoudelijk zeer goed doordachte documenten over certificeren van bosbeheer en bosprodukten uit de kokers van Canada, Indonesië en Maleisië; en het lijkt erop dat deze documenten internationaal meer invloed hebben dan alles wat er vanuit de denktank Nederland aan de oplossing van dit vraagstuk bijgedragen wordt. Het kan verkeren.

De herbezinning zou zich kunnen richten op meer tevredenheid met kleine stappen, en wel stappen die zich betrekken op de huidige realiteit. De Teakwood affaire vereist klaarheid en dient, wellicht door arbitrage, van zijn slepende karakter verlost te worden zodat internationaal niet nog meer schade gedaan wordt aan de Nederlandse positie.

In de internationale arena komen vraagstukken aan de orde over het mondiale grondstoffen- en milieubeleid, en deze vragen zijn helaas complex, zeer complex. Deze vraagstukken zijn zelfs te gecompliceerd om te volstaan met een omschrijving van een ideaalbeeld, in de hemel zijn wij het immers allen met elkaar eens. Veeleer dienen alledaagse vragen aangevat te worden met concrete stappen en maatregelen. Als wij bijvoorbeeld bezien met hoeveel discussies de FSC uiteindelijk zijn vorm kreeg, lijkt het onbegrijpelijk dat het resultaat is dat het kantoor momenteel bemand wordt door slechts 4 tot 5 technici en wat administratieve ondersteuning. We hebben al uitgebreid ervaring opgedaan met het creëren van ineffectieve mini-secretariaten waarvan de operationele slagkracht in geen verhouding staat tot de daadwerkelijke vraagstukken. Ik hoef hier slechts het Tropical Forestry Action Plan als voorbeeld te noemen.

Men kan een boom maar één keer omzagen, maar als we dat doen moeten we er optimaal gebruik van maken. In een imperfecte wereld gaat het niet om perfectie van de voornemens, maar dienen wij ons te realiseren dat we tot elkaar veroordeeld zijn op deze ene planeet. Laten wij een poging doen een balans te vinden tussen werkelijk en wenselijk, en uitgaan van de huidige realiteit.

Enige referenties:

Alerta; 1996. "Teakbeleggers spiegelen te hoge Rendementen voor". door Rik Bulten. Alerta, Het andere nieuws over Latijns Amerika en de Cariben, 22ste jaargang, nr. 222, maart 1996. p 12-14. Citaat: "Voor de microfoon van Radio 1 suggereerde Huesmann (bestuursvoorzitter OHRA; noot van de auteur) in januari dat de Venezolaanse hoogleraar en de zijnen onbezoldigd in dienst zouden zijn van de houtverwerkende industrie die geen belang heeft bij duurzaam geproduceerd hout."

Beleggers Belangen; 9 februari 1996. Beleggersbrief. door B. Izaks. p 3.

Bos Info, oktober 1995. Teakwood Plantage Flor y Fauna gecertificeerd. Informatie van het Wereld Natuur Fonds (WNF) en het Nederlands Comité voor IUCN, Tweede jaargang nummer 3.

Centeno, Julio Cesar; December 22, 1993. Economic Analysis of Flor y Fauna Teak Plantations in Costa Rica. Final Report. Merida.

Clark, W.C. en Munn, R.E. (eds.); 1987. Sustainable Development of the Biosphere. IIASA, Press Syndicate of the University of Cambridge. 491p.

Consumenten-Geldgids, januari 1996. Rendement Teakprojecten Slag in de Lucht. Kwartaaluitgave van de Consumentenbond. p 4-8.

FEM; 1995. Groen en Geel. Steeds meer Concurrentie onder de Houtfondsen. Dat maakt de aanbieders ook steeds brutaler. door Tino Bakker. FEM, 25 november 1995. p 60.

Financieele Dagblad, Het; 7 februari 1996. OHRA overweegt Stappen tegen Hoogleraar.

Financieele Dagblad, Het; 22 februari 1996. Teakboompjes groeien niet langer tot in de Hemel. door E. Basant. Uitspraak: "vuilspuiterij" door drs. B.J.J.M. Huesmann, bestuursvoorzitter OHRA.

Financieele Dagblad, Het; 9 april 1996. "Critici van Teakhoutplantages verdwijnen vanzelf". door F. Gunnink

FSC; February 21, 1996. FSC announces Accreditation of first four Certification Bodies. Press release. Also released by WWF-International, Gland-CH.

FSC; March 11, 1996. FSC Notice. Board of Director's clarification on specific issues which have arisen most recently in The Netherlands, Oaxaca, Mexico.

FSC; April 1996. Update on the Flor y Fauna Case. Verslag van de achtste FSC-Board Meeting van begin februari 1996; in Nederland verspreid door FSC-NL kantoor.

GPD; 29 december 1995. Rechter hakt Teak-Klacht aan Spaanders. Zoals verschenen in De Gooi- en Eemlander.

Gregersen, Hans M.; Lundgren, Allen L.; Bengston, David N. 1990. Planning and Managing Forestry Research: Guidelines for Managers. FAO Forestry Paper No. 96. FAO, Rome.

Greenpeace; ongedateerd. Ecoforestry on the Way. Published in: Clearcut Free? Just did it (a Greenpeace Report). Page 3-4.

Intermediair; 1 maart 1996, 32e jaargang nummer 9. door Jan Maarten Deurvoorst en Ingrid Smit. Duurzaam Hout: veel vraag, weinig aanbod. Citaat: "Keurmerken -stempels die waarborgen dat het hout duurzaam geproduceerd is- zijn er echter genoeg. Mondiaal bestaan er zo'n zeshonderd documenten, stickers, certificaten en labels die claimen een duurzaam bosbeheer te verzekeren."

Internet Forest. Mailing List on Forest Research and Forest Studies. Om de informatie over index en downloaden van deze in Finland beschikbare bestanden te ontvangen, volstaat het om een bericht met de inhoud 'INDEX FOREST' te zenden aan listserv@listserv.funet.fi.

ISF, 1995. ISF Press Release, November 28, 1995.

IUCN; 1992. IUCN Forest Conservation Programme Newsletter. Statement on World Leadership. January, p 3.

Karssen, C.M.; 1996. Hutan Lestari/Duurzaam Bos. In: Wagenings Alumniblad, derde jaargang, nr. 1, 28 maart 1996. p 2.

Kolk, Ans; 1995. De smalle Marges van het Nederlandse Regenwoudbeleid. Internationale Spectator, Januari 1995, -xlix-1. Instituut voor internationale betrekkingen 'Clingendael'.

LNV; 1993. De Teak-Plantages van Flor y Fauna S.A. in Costa Rica (verslag van een monitoring-missie 21-28 november 1993), 28-12-93.

Mater Engineering Ltd.; October 1995. Survey of Manufacturer and Retail Buyer Interest in Certified Wood and Wood Products.

OHRA, 1993. Het Groene Goud: Wereld Natuur Fonds steunt unieke Belegging in Teakhout. Gepubliceerd in Vast en Zeker, Zomer 1993, p 22-23.

OHRA, 1996. Interne memo van PR manager aan Adjunct-Directeur dd 01/02/96 inzake Teakwood, openbaar gemaakt door indiening bij de Reclame Code Commissie dd 26 maart 1996.

Oldeman R.A.A.; 1994. Durable Ecocomplexity: beyond the threshold of a new century. In: P.C. Struik et al (eds.), Plant Production on the Threshold of a New Century: 151-158. Kluwer publ., Dordrecht, Boston, London.

Oldeman, R.A.A.; 1996. Aantekeningen over de gevolgde Meetprocedure 'Huizinga & Groot'. 17 februari 1996.

OneWorld Online; 5 February 1996. WWF endorsed Teakwood Scandal hits Tropical Timber Industry. by Mark Lynas. URL http://www.oneworld.org/ (nu onder index news/Europe/The Netherlands).

Ozinga, S.; March 1995. Production and Consumption of Timber and Timber Products. Wereld Natuur Fonds, Zeist. 33p.

Palmer, J.R.; 1996. Certification Standards: what has CIFOR found? Woodmark News, Vol.2, Issue 1, Spring 1996.

Poore, Duncan (Editor); 1989. No Timber without Trees: Sustainability in the Tropical Forest. Earthscan, London, 252p.

Romeijn, P.; October 1993. A Global University: Developing a Worldwide Forestry Community. Journal of Forestry, Vol. 91, No. 10, October 1993, p31-33. ISSN 0022-1201. Reprinted in: BOS Newsletter, no. 28, vol 13 (1), 1994, p36-41. Also reprinted in: IUSF Newsletter, no. 36, May 1994, p4-5.

Romeijn, P.; December 1995. Certification: the Chain of Command from Forest to Final Product. Invited paper at the workshop on certification of forests and forest products; European Parliament, Espace Leopold room 01 C47, Brussels 18-19 December 1995. In print.

RTL-4; 22 februari 1996. Nieuwsuitzending half acht avondjournaal, interview met Tim Synnott, Directeur FSC.

RTR; 1991. Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud, vergaderjaar 1990-1991, 21517, blz. 45.

Telegraaf, De; 28 december 1995. Ohra eist Boete bij Nieuwe 'Laster' over Teakhoutpolis.

Telegraaf, De; 13 februari 1996. Ohra dreigt met Stappen tegen Critici Teakpolis. door Martin van Putten.

WNF; 1995 (gepubliceerd zonder datum vermelding). Naar een Houtbare Wereld; Hoe de Nederlandse Houtmarkt zich opmaakt voor FSC-hout. Zeist, ISBN 90-74595-07-3.

WNF; 31 januari 1996. Brief van WNF 'Director of Conservation' Braakhekke aan Prof. Centeno (ref. WB/96.22), met kopie aan ZKH Prins Bernhard, Minister Pronk, WNF Voorzitter Nijpels, Flor y Fauna, OHRA, FSC en Rainforest Alliance, openbaar gemaakt door indiening bij de Reclame Code Commissie dd 26 maart 1996.

WNF; 20 maart 1996. Brief van WNF Directeur Woldhek (ref. 96F250/JEK) aan Ekelmans den Hollander (advocaten van OHRA), openbaar gemaakt door indiening bij de Reclame Code Commissie dd 26 maart 1996.

WUB (Wagenings Universiteits Blad); 14 maart 1996. Luchtkastelen van Teakhout. door Laurens Vogelezang. Uitspraak: "Je wordt geconfronteerd met je ethische grenzen ..." door Ir. K.F. Wiersum, medewerker vakgroep Bosbouw. Citaat: "Bosbouwers bundelen langzaam de tegenkrachten en zoeken de openbaarheid aangezien stille diplomatie onvoldoende effect sorteert."

WUB (Wagenings Universiteits Blad); 28 maart 1996. Gekrakeel over Teakhout bereikt Hoofdgebouw LUW. door Laurens Vogelezang.


Met dank aan Treemail; dit artikel werd met speciale toestemming gepubliceerd. Reacties gaarne aan de redactie van OneWorld Europe: europe@oneworld.org